Visie op werken met ouders
Het doel van de basiseducatie is altijd dat mensen sterker in het leven staan. We bespreken dan ook eerst het verhogen van competenties van ouders en daarna hoe de cursist steeds centraal staat in ons aanbod. Dan gaan we in op onze visie op het gebruik van het (standaard) Nederlands en tenslotte behandelen we hoe het aanbod voor ouders ook preventief werken is ten aanzien van de kinderen.
Verhogen van competenties
Met haar educatief aanbod mikt de basiseducatie op het verhogen van competenties bij laaggeschoolde volwassenen. In de centra voor basiseducatie verhogen cursisten hun handelingsbekwaamheid en worden ze meer zelfredzaam. Dit is belangrijk om zelfstandig te functioneren en te participeren in de samenleving. Als we met ouders willen werken, is dit omwille van het belang van het functioneren en participeren in contexten die voor hen als ouder relevant zijn. We denken daarbij in de eerste instantie aan de school van de kinderen.
Het is belangrijk dat ouders uiting kunnen geven aan hun betrokken-zijn bij hun kind op school en dat ze zich ook betrokken kunnen tonen bij de school op zich. Daarnaast is het van belang dat ze zich kunnen opstellen als partner van de school met het oog op de opvoeding van hun kind, dat ze kunnen communiceren met de school en actief hun rol als ouder opnemen ten aanzien van hun schoolgaand kind. Op die manier kunnen ouders bijdragen aan de slaagkansen van hun kind op school.
De cursussen voor ouders behandelen thema’s die ouders kunnen ondersteunen, zowel bij het actief functioneren en participeren op de school van hun kind(eren) als bij de opvoeding thuis. Daarnaast vinden we het eveneens belangrijk dat cursisten “zich persoonlijk kunnen ontwikkelen”. In onze cursussen wordt dan ook voor de deelnemende ouders ruimte gecreëerd om eigen thema’s en vragen in te brengen.
Cursist centraal
De cursist staat steeds centraal in de basiseducatie. We willen in de eerste plaats ouders erkennen in hun ouder zijn. Deze cursisten komen niet naar een oudergroep omdat ze het slecht doen. Zoals alle ouders zijn ze betrokken op hun kind, willen ze het beste voor hun kind en zoals alle ouders stellen ze zich vragen over de opvoeding van hun kinderen. We willen ouders ondersteunen en sterker maken.
Daarnaast willen we de cursist in zijn eigenheid erkennen en staan we open voor verschillende visies en levensbeschouwingen. De socioculturele achtergrond van cursisten heeft ongetwijfeld een invloed op het leren; de aanwezigheid van verschillende socioculturele achtergronden betekent een meerwaarde voor zowel medecursisten als lesgevers.
De cursist staat centraal wil tevens zeggen dat een educatief programma voor ouders inspeelt op wat zich plaatselijk voordoet en rekening houdt met de concrete vragen en ervaringen van elke specifieke groep ouders. Een aantal factoren bepalen wezenlijk de aard en de inhoudelijke accenten van de cursus: gaat het bijvoorbeeld over ouders van kleuters, lagere schoolkinderen of middelbare scholieren? Gaat het om autochtone of allochtone ouders of een gemengde groep? Welke interesses hebben de deelnemers? Zijn er meer mannen of vrouwen?
Vaak stellen we vast dat deelnemen aan een aanbod voor ouders op school mensen stimuleert om deel te nemen aan andere cursussen in het open aanbod van de centra voor basiseducatie. Daarin kunnen ze zich verder persoonlijk ontwikkelen en bijvoorbeeld meer intensief werken aan geletterdheid en sleutelcompetenties. Dankzij de persoonlijke leertrajectbegeleiding van de centra voor basiseducatie worden deze mensen naar het voor hen meest passende aanbod toegeleid.
(Standaard) Nederlands als middel
Nederlands kunnen hanteren, is onmisbaar om zelfstandig te functioneren en te participeren in onze samenleving. Het (standaard) Nederlands is de voertaal op school en het is uitermate handig die taal voldoende te beheersen. Voor veel ouders is de communicatie met de school niet eenvoudig en dit zijn lang niet altijd anderstalige ouders. Scholen communiceren voortdurend met ouders, ze geven informatie en doen dit soms in een specifieke “schooltaal”: het schoolreglement, de engagementsverklaring, heen-en-weer schriftjes, berichten in de schoolagenda, informatie op oudercontact en zo verder.
Scholen staan niet altijd stil bij hun aanpak en de verwachtingen die ze hebben ten aanzien van ouders. Men gaat vaak te weinig na waarom sommige ouders niet reageren, of niet reageren zoals men verwacht. De communicatie met de school wordt dus een wezenlijk onderdeel van het programma voor ouders.
We vinden het belangrijk dat Nederlands als middel gehanteerd wordt. Mensen die taalondersteuning nodig hebben, omdat ze niet vlot lezen, omdat ze zich niet gemakkelijk kunnen uitdrukken, omdat ze de woorden in het Nederlands niet beheersen en zo meer, krijgen deze ondersteuning. Zo krijgen zij de tools in handen om succesvol te communiceren met de school. We zien dit echter niet als een opleiding alfabetisering in het Nederlands of Nederlands als tweede taal, al spreekt het natuurlijk voor zich dat mensen dankzij dit aanbod hun taalvaardigheid in het Nederlands verhogen.
Preventie
Onderzoek, zoals het PISA-project, toont aan dat de verschillen in leerprestaties van leerlingen samenhangen met hun socio-economische status. Leerlingen uit gezinnen met een lagere socio-economische status presteren zwakker dan leerlingen uit gezinnen met een hogere socio-economische status. Deze status wordt onderzocht aan de hand van vier variabelen: het beroep van de ouders, het onderwijsniveau van de ouders, de educatieve middelen waarover de leerlingen thuis beschikken en het aantal boeken dat de leerlingen thuis bezitten.
Het gelijke onderwijskansendecreet (GOK) benoemt “risicokinderen” aan de hand van vijf kansarmoede-indicatoren:
1. het gezin leeft (uitsluitend) van een vervangingsinkomen;
2. de leerling is thuisloos;
3. de ouders behoren tot de trekkende bevolking (zigeuners, schippers, ...);
4. de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
5. de thuistaal is niet het Nederlands.
Vanuit de centra voor basiseducatie kunnen we de zorg voor gelijke onderwijskansen in het onderwijs versterken door het werken aan de competenties van laaggeschoolde ouders (zie indicator 4) en het aanbieden van taalondersteuning voor ouders die het Nederlands onvoldoende machtig zijn om het als thuistaal te hanteren (zie indicator 5). Door de samenwerking met scholen ontstaan binnen de basiseducatie extra kansen op leren voor ouders. Door cursussen op de school van de kinderen te organiseren wordt de drempel voor nogal wat mensen lager. Door beroep te doen op de intrinsieke motivatie van ouders – hun kind en wat er met hun kind gebeurt op school – worden volwassenen gestimuleerd tot leren.
In het memorandum van de Federatie voor Centra Basiseducatie naar aanleiding van de Vlaamse verkiezingen van juni 2009 schreven we het zo: “In het kader van preventief aan geletterdheid werken is het verhogen van de basiscompetenties van ouders een belangrijk spoor, dit kan in samenwerking met de school van de kinderen. De aangeboden vorming heeft tot doel de ouders nauwer te betrekken bij het onderwijs aan hun kind en net die betrokkenheid op het kind motiveert de ouders. Het gevolg is een dubbele winst: de ouders verhogen niet alleen hun geletterdheidscompetenties, maar staan ook sterker als ouder en zijn nauwer betrokken bij het onderwijs aan hun kinderen.”
