Trucs en excuses
Aan de buitenkant kunt u niet zien of iemand laaggeletterd is. Laaggeletterden hebben vaak een heel repertoire aan ‘trucs’ om hun problemen te verbergen. Toch kunt u er wel achter komen of iemand laaggeletterd is. Voormalige cursisten gaven aan dat ze de volgende excuses paraat hielden:
“Sorry, ik ben mijn bril vergeten.”
Het kan gebeuren dat iemand zijn bril vergeet. Maar als dat vaker het geval is, moet u toch eens gaan nadenken.
“Die formulieren vul ik thuis wel in.”
Dat iemand thuis ingewikkelde formulieren op zijn gemak wil invullen is niet zo vreemd. Maar als eenvoudige papieren ook worden meegenomen, kan het zijn dat er thuis schrijfhulp aanwezig is.
“Ik schrijf zo onleesbaar, doe jij dat maar voor me.”
Dit kan een signaal zijn dat iemand problemen heeft met schrijven en zelf geen formulieren wil invullen. Het kan ook zijn dat iemand helemáál niet kan schrijven.
“Dat werkbriefje krijg je straks van me.”
Dat iemand – nu even – geen tijd heeft om een werkbriefje in te vullen, kan voorkomen. Maar als dat een vast patroon is, kan het zijn dat die persoon daarvoor hulp inroept van een collega.
“Die bijsluiters zijn allemaal zo ingewikkeld.”
Dat iemand vraagt om uitleg over medicijngebruik is best normaal. Maar als die persoon daar altijd om vraagt, kan het zijn dat hij de bijsluiter niet kan lezen.
“Ik laat de kinderen altijd boodschappen doen.”
Iemand die niet kan lezen (en rekenen) gaat niet graag naar de winkel. Om de juiste producten te kunnen kopen moet je immers wel kunnen lezen wat er op het etiket staat.
“Oh, ik dacht dat die afspraak morgen was.”
Als iemand keer op keer afspraken vergeet of vaak op de verkeerde tijden komt is het mogelijk dat hij of zij geen agenda bij kan houden.
“Die hoofdpijn gaat maar niet over.”
Dat iemand klaagt over – chronische – hoofdpijn, kan vele oorzaken hebben. Eén daarvan is stress, als gevolg van problemen op het werk. Het is niet uitgesloten dat iemand niet meer meekan omdat hij onvoldoende kan lezen of schrijven.
“De televisie geeft toch al informatie genoeg?”
In veel gezinnen is de televisie het belangrijkste medium voor informatie. Maar als bij een bezoek aan huis wordt geconstateerd dat kranten, tijdschriften en boeken niet of nauwelijks aanwezig zijn, zou het kunnen dat één of meer gezinsleden niet of niet goed kunnen lezen.
“Ik kan niet lezen, omdat ik woordblind ben.”
Als iemand beweert woordblind (dyslectisch) te zijn, kan het best zijn dat iemand vroeger op school ten onrechte zo’n etiket heeft meegekregen.
“Ik heb een lelijk handschrift.”
Een ander moet het invullen.
“Die regelingen zijn zo ingewikkeld, daar snapt een normaal mens niets van.”
Mensen vragen voortdurend om uitleg.
“Nee, werken met computers is niets voor mij.”
Een uitvlucht om niet alleen het werken met computers te vermijden, maar ook om niet te hoeven lezen en schrijven
